Tango muziek

 

Tekst en samenstelling van deze tango muziek: Arjan Sikking 2011-2014

Licentie voor het gebruik van muziek op deze site: 10500341 (buma stemra)

Orkestleiders:

Firpo     Canaro     Lomuto     Donato     Fresedo     d’Arienzo     d’Agostino     Rodriguez     Laurenz     Di Sarli     Tanturi     Pugliese     Biagi     Demare     Caló     De Angelis     Troilo     Racciatti     Piazzolla     Kraayenhof

 


Francisco Canaro

violist, orkestleider, componist (1888–1964)

 
Uruguayer van geboorte, verhuisde zijn familie al vroeg naar Buenos Aires, waar zij terecht kwamen in een woonkazerne. Zij verkeerden in extreem arme omstandigheden en voor zijn tiende was hij al krantenjongen.

Hij voelde zich aangetrokken tot de muziek en was gehypnotiseerd door de viool. Van een olieblik en een houten vingerplank maakte hij zijn ‘Stradivarius’, en ging hij wat geld verdienen bij de danslokalen.

Hij heeft niet gestudeerd, maar hij vond het pad naar de muziek. Vanaf zijn twintigste begon Francisco tango’s te spelen in cafés. Zijn naam werd bekender.

In 1912 begon hij met zijn alles overtreffend werk als componist.

Hij voegde zich naar de plekken waar hij speelde, zonder andere sterren in de weg te zitten.

Canaro introduceerde de contrabas alsmede de (refrein) zanger. Hij toerde twee jaar Europa in de twintiger jaren. Na terugkomst ging hij op tournee, werd zo bekend en dat kwam te pas toen de radio in de mode kwam. Andere musici werden beter en ontwikkelde een persoonlijke stijl, maar de naam Canaro was bij iedereen bekend.

Hij heeft zijn collega’s aan zich verbonden, omdat hij sinds 1918 vocht voor de rechten van de componist. In 1935 slaagde dit met de oprichting van SADAIC (Sociedad Argentina de Autores y Compositores de Música).

Naar schatting zijn rond de 5000 opnamen van hem vastgelegd. Met recht een record aantal.

Hij overleed aan een vreemde bot aandoening.



 

Roberto Firpo

pianist, componist, orkestleider (1884-1969)

 
Als orkestleider, vertolker en componist was Roberto Firpo een van de eersten die de tango ontwikkelden. Hij had grote muzikale kennis, bracht de piano in het tango-ensemble en bleef de traditionele tango trouw. Hij had een gepolijste speelstijl en bracht de romantische melodie in de tango, tot dan vreemd voor deze muziek, gericht op dansers.

Als tiener ging hij naar Buenos Aires om zijn horizon te verbreden. Van zijn zelf verdiende geld kocht hij een piano en begon op zijn 19e les te nemen. Vier jaar later componeerde hij al, en debuteerde hij in een trio dat speelde in het beroemde Lo de Hansen. In deze uitgangsgelegenheid werd in de achterzaal tango gedanst.

In 1913 vormde hij zijn eerste groep en speelde (nog steeds populaire) hits, zoals Alma de Bohemio, ongetwijfeld zijn beroemdste werk, en waar de romantische melodie volledig tot uiting kwam.

Daarnaast componeerde hij veel walsen. In 1916 speelde hij voor het eerst, in Montevideo, de tango’s aller tango’s, La Cumparsita (van Matos Rodríguez). Firpo speelde in alle belangrijke gelegenheden, met kleine en grotere orkesten. Het bracht hem bekendheid en geld.

In 1930 verliet hij de tango en ging als veeboer verder. Door tegenslagen met zijn vee en op de beurs, stelde hij aan aantal jaren later zijn orkest weer samen, en begon opnieuw.

De carrière van Firpo was lang. Zijn discografie is groot met zo’n 300 opnames.



 

Francisco Lomuto

violist, orkestleider, componist  (1893–1950)

 
Zijn groot, sterk gebouwd lichaam, zijn kalend hoofd, dikke wenkbrauwen, zijn grote handen met dikke vingers, met daarin permanent een dunne sigarettenhouder, leken in grote tegenstelling met zijn verfijnde spiritualiteit en vriendelijke gemoed.

Hij kwam uit een muzikaal gezin. Francisco kreeg lessen van zijn moeder, en hij verbleef korte tijd aan het conservatorium. Piano leerde hij door te blijven oefenen. Op zijn dertiende maakte hij een tango kompositie, en de warme reactie moedigde hem aan. Francisco werkte in muziekwinkels en speelde daar de stukken die de klanten kochten.

Hij wierp zich helemaal in de muziek toen zijn vader overleed en er verdient moest worden. Hij ging als leerling spelen in het orkest van zijn vriend Canaro die hem goed vond spelen en een lekker ritme vond hebben.

In 1923 richtte hij zijn  orkest op. Hij kende zijn technische beperkingen en legde zich toe op het leiden. Hij voegde een jazz beat toe, en breidde de bezetting uit met tromboon, saxofoon, trompet en klarinet.

Vaak werden orkesten uitgebreid vanwege slechte akoestische omstandigheden. Met de geluidsfilm verloren tango-orkesten een belangrijke plaats.

Zijn orkest had een duidelijke persoonlijkheid, een goede maat, was qua stijl orthodox, had een prettige muzikaliteit en was heerlijk dansbaar.

Samen met zijn vriend Canaro zette hij zich in voor de rechten van auteurs en componisten (dit lukte in 1935 –SADAIC- en Lomuto werd de eerste president).

In 1947 toerde hij in Spanje. Zijn laatste orkest was de beste en het meest geëvolueerd



 

Osvaldo Fresedo

bandoneonist, orkestleider, componist (1897-1984)

 
Osvaldo werd geboren uit rijke ouders, maar woonde toch in een eenvoudige buurt. Op tienjarige leeftijd begon hij met de bandoneón. Zijn tango carrière was lang, méér dan 1250 opnames over 63 jaar.

Op 16-jarige leeftijd begon hij in een trio. Niet veel later speelde hij met Arolas en met Firpo. Belangrijk voor de ontwikkeling van tango orkesten in de jaren twintig was de samenwerking met pianist Juan Cobián (bekend van Los Mareados en Nostalgias).

Zijn rijke afkomst leek zijn muziek te hebben beïnvloed: de verfijnde smaak, de gebonden noten, zachte nuances en fantasierijke piano solo’s waren afgestemd voor de oren van de ‘hogere klasse’, maar droegen altijd in zich de boodschap van de achterbuurten.

Op 21-jarige leeftijd vormde hij zijn eerste groep met o.a. violist Julio de Caro. Uitgegroeid tot een sextet, zou het de tango compleet veranderen. In 1921 nam hij met een sextet vijftig thema’s op in de Verenigde Staten bij het label Victor.

In 1927 was zijn succes zo groot dat hij vijf orkesten aan de gang hield, waar hij overal even moest zijn.

Fresedo was niet bang om nieuwe klankkleur in het orkest te brengen, zoals de harp en vibrafoon en een bescheiden gebruik van drums.

Met zorg koos hij zangers uit die paste in de verfijning van het orkest, zoals Roberto Ray, Ricardo Ruiz en Oscar Serpa.

Als componist was Fresedo productief en succesvol, maar in het algemeen oppervlakkig. Zijn beroemdste tango, naast andere, is Vida Mía.



 

Juan d’Arienzo

violist, orkestleider (1900–1976)

 
Als jongen begon Juan al met de tango, en trad veel op met d’Agostino. Het sleuteljaar in zijn carrière is 1935 toen hij speelde in de club Chantecler. In dat jaar kwam pianist Rodolfo Biagi in het orkest. Hij veranderde de 4/8 terug in de 2/4 maat van de snelle, vrolijke en primitieve tango’s. Een jaar later was hij gevestigd.

Stilistisch is d’Arienzo de tegenpool van Julio De Caro. In 1938 verliet Biagi het orkest, maar de stijl bleef.

De dans was bijzaak geworden en had plaats gemaakt voor lyriek en zang, het arrangement rukte op. Maar d’Arienzo blies een frisse en jeugdige wind door de tango en gaf de tango terug aan de ‘voeten van de dansers’.

Hij werd de Koning van de Maat. Hoewel veracht door tangoliefhebbers, maakte hij de opleving mogelijk van de gouden jaren veertig.

Volgens d’Arienzo is tango ritme, moed, sterkte en karakter; de oude tango (guardia vieja) had dat allemaal. “Dat moeten we niet kwijtraken. De neergang komt door de zangers, het orkest werd een begeleiding. De stem mag niet meer zijn dan een extra instrument, het orkest mag niet opgeofferd worden. Gelukkig is de tango weer tot leven gekomen met de vitaliteit van zijn beste jaren. Ik ben er trots op daaraan te hebben bijgedragen”.

Vlak voor zijn dood vertelde hij nog dat de piano het fundament is van zijn orkest, de vierde viool moet als een alt of cello klinken.

Mensen herinnerde zich hem met tederheid, met wat nostalgie en iets van spot.



 

Edgardo Donato

violist, orkestleider, componist (1897-1963)

 
Op jonge leeftijd verhuisde het Italiaanse gezin naar Montevideo, waar zijn vader uiteindelijk dirigent werd van een kamerorkest.

Edgar begon op zijn tiende muziek te studeren. Hij begon zijn loopbaan in de opera, met stijve boord en serieuze blik, ondanks het feit dat hij een geboren humorist was en bleef, ook bij het vioolspelen.

Maar spoedig kon hij bij een groep komen van de Argentijnse bandoneonist El Negro Quevedo.

Zijn eerste compositie raakte hij aan de straatstenen niet kwijt, maar twee jaar later had hij succes na zijn interpretatie in een theater in Buenos Aires.

Spoedig daarna componeerde hij A Media Luz, een blijvende hit.  “Ik componeerde A Media Luz tijdens een rit op een tram”, zei de componist later.

In 1927 vormde hij een orkest met violist Roberto Zerrillo, dat al snel succes kreeg, zij werden de 9 tango azen genoemd: “het meest opvallend tango orkest ooit gehoord”. In 1930 viel het orkest uit elkaar.

In het orkest dat Donato later oprichtte, werd de frasering verpakt in een bredere dynamiek; ook de bandoneons en de vioolsolo’s van Edgardo kregen meer de ruimte, waarbij ook zijn beroemde pizzicato’s opvielen.

Zijn orkest was een dansorkest met weinig aspiraties voor stijl, in overeenkomst met zijn vrolijke, vergeetachtige humeur.



 

Rodolfo Biagi

pianist, orkestleider, componist (1906–1969)

 
Rodolfo werd geboren in de centrale wijk San Telmo. Tegen de wil van zijn ouders in koos Rodolfo voor de muziek, hij wilde viool studeren. Al spoedig kwam hij erachter dat zijn roeping bij de piano lag.

Hij was dertien toen hij stomme films begeleidde in de lokale bioscoop. Twee jaar later had hij het geluk dat bandoneonist maestro Juan Maglio (Pacho) deze vroegrijpe pianist hoorde. Hij nodigde hem uit om met hem te spelen.

Rodolfo kwam vaak in het cabaret Chantecler waar zijn vriend Juan d’Arienzo met zijn orkest speelde. Hij mocht in 1935 de pianist, berucht om zijn gebrek aan punctualiteit, vervangen.

Met zijn ‘nerveuze’ en ritmische spelstijl veranderde hij in de volgende drie jaren voorgoed de stijl van d’Arienzo.

In 1938 vormde Biagi zijn eigen orkest. Beide orkesten vestigden de traditionele positie van de tango-interpretatie, die bijzonder populair bleek bij het danspubliek, met repertoire gebaseerd op de herleving van oude stukken aangepast met hun eigen muzikale expressie.

Het mag een prestatie genoemd worden om binnen een eenvoudige muzikale mode, een stijl vorm te hebben gegeven met een onmiskenbare persoonlijkheid.

Bij de radio uitzendingen op zondag liet Rodolfo zich vervangen, zodat hij naar de paardenrennen kon gaan.

Vroeg in de jaren vijftig was zijn orkest het eerste dat verscheen op de nog jonge Argentijnse televisie.

Rodolfo droeg de bijnaam Manos Bujas (betoverende handen).



 

Aníbal Troilo

bandoneonist, orkestleider, componist (1914-1975)

 
Als kind werd Aníbal betoverd door het geluid van de bandoneón die hij hoorde in de cafés van Buenos Aires. Op zijn tiende haalde hij zijn moeder over om er eentje voor hem te kopen, dat gebeurde op afbetaling. Een jaar later speelde hij in de markthallen El Abasto.

In 1937 richtte hij zijn eigen orkest op. Hij creëerde een gebalanceerde stijl zonder komedie en met smaak. Hij omringde zich met de beste musici, selecteerde goede zangers, waaronder Francisco Fiorentino, die vele jaren bij het orkest zong.

Opnames met Fiorentino begonnen in 1941 voor het label Victor. Troilo bleef zijn eigen repertoire kiezen bij deze label.

Troilo was een inspirerende componist en creëerde stukken die de tand des tijds glansrijk doorstonden, evenals zijn vertolkingen van collega componisten. Het spel van bandoneonist Ciriaco Ortiz heeft hem het meest beïnvloed in zijn vertragingen en zijn frasering.

Troilo is ook nu nog voor velen de grootste bandoneonspeler in de geschiedenis van de tango. Hij verenigde in zijn spel de fluwelige klank, de technische virtuositeit en de fraseerkunst. Hij speelde licht voorover gebogen, ogen gesloten, zijn dubbele kin naar beneden hangend. “Er wordt gezegd dat ik vaak erg aangedaan ben, dat ik huil. Ja, dat is waar. Maar ik doe dit nooit om triviale redenen.”

Aníbal was een mythisch karakter in Buenos Aires. Zijn bijnaam was Pichuco. “Op 18 mei 1975 viel de bandoneón uit zijn handen.”



 

Enrique Rodriguez

bandoneonist, orkestleider, componist (1901–1971)

 
Rodríguez was een trouwe volger van de traditionele ritmes gespeeld door Donato en d’Arienzo. Hij werd bekritiseerd door de vernieuwers en geprezen door de dansers. Zijn orkest verheugde zich in een grote populariteit in de jaren veertig en vijftig in Argentinië en de rest van Latijns Amerika.

Zijn stijl was een doorbraak, want hij speelde alle soorten genres en meestal met vrolijke en romantische melodieën. Maar wanneer hij tango speelde hoorde je het briljante geluid van een professioneel orkest, met eenvoudige arrangementen.

Enrique speelde ook piano en viool, schreef met gemak eenvoudige arrangementen en versies

van klassieke en populaire melodieën van alle landen met behoud van hun essentie.

Vandaar ook het succes over het hele continent, tot vreugde van luisteraars en dansers. Zijn vroege optredens vonden plaats in bioscopen samen met een pianist.

In 1926 debuteerde hij in het sextet van Joaquïn Mora en later speelde hij in het orkest van Edgardo Donato, waar hij kort verbleef, maar toch werd beïnvloed, zeker door de rapheid en briljantheid van de maat.

In 1936 stelde hij zijn eigen orkest samen: het orkest van alle ritmes. Ze werden veel gevraagd, want het maakte het inhuren van andere orkesten met tropical en jazz overbodig. Zanger Armando Moreno, vele jaren deel van het orkest, liet onuitwisbare voetsporen na in de tangogeschiedenis, met onder andere de hit de tangowals Tengo Mil Novias.



 

Pedro Laurenz

bandoneonist, orkestleider, componist (1902-1972)

 
Pedro Laurenz was een grote tango persoonlijkheid. Hij had een grote techniek met beide handen (hoge en lage tonen), was magnifiek in geluid, krachtig in optredens en onstuimig in uitdrukking.

Hij bracht zijn jeugd door in Villa Crespo, een buurt waar mensen samen leefden in kleurrijk sociaal contrast in huurkazernes: de harde en ongure mensen – compadritos en malevos -, Spanjaarden, Italianen, Joden, Arabieren en Turkse immigranten.

Op 15-jarige leeftijd verwisselde hij de viool voor de bandoneón. In het orkest van Casanovas speelde hij met Donato en Zerrillo.

Belangrijk voor hem was zijn toetreding tot de groep van Julio de Caro in 1925, die toen revolutionaire veranderingen in de tango bracht. Hij kwam naast zijn idool Maffia te spelen.

In 1934 vormde hij zijn eigen orkest, en gaf de instrumentele tango een nieuwe impuls in stijl. Hij nodigde Pugliese, ook een vernieuwer, uit op piano.

In 1937 nam hij Arrabal op, gezien als de schanier naar de gouden tijdperk van de tango in de jaren veertig. De mindere populariteit van zijn zangers, behalve Podestá, beperkte het succes.

Vanaf 1960 maakte Laurenz deel uit van het beroemde Quinteto Real, een groep van grote solisten zoals Salgán, die met een robuuste vernieuwing in ritme, de tango trachtte te laten opbloeien. Als componist heeft Laurenz vele klassiekers achter gelaten zoals Mala junta en Orgullo criollo.



 

Ricardo Tanturi

pianist, orkestleider, componist (1905–1973)

 
Tanturi leidde voor tientallen jaren een vermaard orkest dat zijn succes vooral dankte aan de sterke aantrekkingskracht van zijn zangers. Zelf viel hij niet op door zijn muzikale bedrevenheid, en ook zijn instrumentale stukken worden weinig herinnerd.

Geboren uit Italiaanse ouders werd hij in Buenos Aires geboren en groeide hij op in de wijk Barracas, een arm maar belangrijk gebied, omgeven door het riviertje Riachuelo en haar stank. Begonnen op viool schakelde hij over op piano.

In 1933 vormde hij een sextet onder de naam Los Indios (naar een polo team). Dit speelde hij altijd als openingsnummer, maar werd helaas nooit opgenomen.

In 1937 kwam de omslag met de opnames

Tierrita en A La Luz Del Candil.

Zijn grootste succes kwam in 1939 met de toetreding van Alberto Castillo, met zijn perfecte toon, zijn meesterlijk gebruik van toonhoogte en mezza voce (ingehouden toonvorming). Hij verleidde het publiek met uitgesproken bewegingen, een masculiene elegantie, een knappe haarstijl, en die soms intieme, soms levendige stemming. Dat alles maakte een show van iedere tango.

Tanturi liet hem de leidende rol spelen, evenals zijn opvolger Enrique Campos.

Deze deed geen poging om zijn zangtalent uit te dragen zoals zijn voorganger. Hij zong op een ‘onverschillige’, onopgewonden, eenvoudige manier. Achter hem klonk het orkest zelfbewust, precies en tactvol, met een ongekunstelde perfectie. Deze opnames van Tanturi-Campos waren juweeltjes.



 

Angel d’Agostino

pianist, orkestleider (1900-1991)

 
Angel komt uit een muzikale familie, zijn vader en ooms waren musici. Er stond een piano thuis, het werd zijn speelgoed.

Hij studeerde aan het conservatorium en speelde als kind al voor het publiek, o.a. in een kindertrio waar ook een buurjongen, Juan d’Arienzo, deel van uitmaakte.

In 1934 vormde hij zijn eigen tango orkest met o.a. Aníbal Troilo op bandoneon. De eerste opnamen stammen uit 1940 voor het label Victor, waarbij zanger Angel Vargas deel ging uitmaken van het orkest.

Het orkest staat bekend om zijn goede smaak en eenvoud. Tangoliefhebbers hebben vanaf de eerste tonen nooit hun respect en bewondering voor deze

groep musici verloren, waarvan ook jarenlang zanger Angel Vargas deel uitmaakte.

Hij kon door zijn manier van uitdrukking de betekenis van het lied aan het publiek perfect duidelijk maken.

Het orkest had een verfijnd repertoire, wat nostalgisch, en onderscheidend van de andere orkesten.

D’Agostino, zelf een milonguero, heeft veel dansers begeleid. Bij het vormgeven hield hij twee dingen in het oog: respect voor de melodielijn en de nadruk op het ritme om het dansen gemakkelijker te maken.

Wanneer de zanger naar voren trad, werd het orkest zo gestructureerd dat muziek en zang niet het dansen belemmerde. De  zanger werd een extra instrument (dat wel op de voorgrond trad).



 

Donato Racciatti

bandoneonist, orkestleider, componist (1918-2000)

 
Zijn orkest speelde een klassieke, eenvoudige en ritmische stijl. Het had de smaak van d’Arienzo, en hij was succesvol. Geboren in Montevideo, begon hij in 1938 zijn loopbaan als bandoneonist op de radio. Hij speelde daarna in het orkest van Laurenz-Casella.

Met deze ervaring richtte hij in 1948 zijn eigen orkest op. Hij toerde in Uruguay en Brazilië, en raakte net als Canaro, betrokken bij het theater.

De beste periode waren in de jaren 1953 tot 1960 met zangeres Nina Miranda (de beste zangeres van zijn land) en later met Olga Delgrossi.

Vele zangers hebben met hem gezongen. Racciatti droeg bij aan de dansbare en populaire tango, met gevoel voor commercie. Hij werd vaak in Zuid Amerika en Japan ingehuurd en speelde in alle belangrijke steden in de provincies van Argentinië.

Hij speelde verder in het Cabaret Marabú, waar ook Troilo en Di Sarli optraden.

Hij componeerde eenvoudige werken met aansprekende melodieën die aansloegen bij het publiek, de dansers neuriede vaak mee bij het dansen.

Een bekende hit van hem (tekst Federico Silva) Hasta Siempre Amor werd ook opgenomen door Di Sarli en D’Arienzo.



 

Alfredo De Angelis

pianist, orkestleider, componist (1910-1992)

 
Rond midden jaren dertig prevaleerde de internationale muziek, waardoor tango-orkesten ook andere, buitensporige muziek speelde. Met de terugkeer van de 2/4 maat met D’Arienzo ontstond een hernieuwde opleving.

Alfredo werd geboren ten zuiden van de hoofdstad Buenos Aires, en studeerde in zijn jeugd al bladmuziek en harmonie. Hij speelde in verscheidene groepen waaronder die van Anselmo Aieta waarin Juan d’Arienzo viool speelde.

In 1941 debuteerde De Angelis met zijn eigen orkest, gericht op het dansen. Door effectief omgaan met ritme, respect voor melodie, en het uitlichten van de zanger, verkreeg hij een nette, eenvoudige tango.

Hij bereikte faam en populariteit, en bracht op het label Odeon 486 nummers uit.

Goede zangers als Ruiz, Dante en Martel zongen bij hem. Carlos Dante was al een toegewijde refreinzanger, hij werd zijn onderscheidend stempel voor het orkest.

Alfredo was de promotor van het vocale duet, en vooral Dante-Martel vielen op met hun pareltjes PregoneraRemolino en Pastora.

Het orkest van De Angelis had niet het aanzien en klasse van orkesten als die van Troilo en Pugliese, maar hij was een oprecht orkestleider die zich nestelde in de traditionele tango en dat begrepen werd door de mensen.
Het bewijs is het grote aantal opnames en het commerciële succes.



 

Lucio Demare

pianist, orkestleider, componist (1906–1974)

 
Een aangeboren vermogen voor muzikale vindingrijkheid en een fijngevoelige geaardheid, identificeerde het karakter van zijn oeuvre. Lucio kwam op de wereld in Buenos Aires. Hij legde zich toe op de piano, zijn vader was violist en zijn broer Lucas bekwaamde zich op de bandoneón.

Lucio speelde bij verschillende orkesten en vormde daarna het trio Irusta-Fugazot-Demare waarmee hij het debuut maakte in Madrid.

Hij werd aangetrokken door de romantische stijl van Cobián, Delfino en De Caro, die tussen 1915 en 1935 de voorlinie vormden van deze formele en stemmige vorm van tango.

Tussen 1926 en 1932 bestond het oeuvre van Demare uit duidelijk lyrisch en melodisch werk,

zoals TelónMañana Zarpa un Barco enSolamente Ella, die de tango’s van de jaren veertig inspireerden.

Na twee lange en succesvolle tournees in Centraal- en Zuid-Amerika en een tweede Europese tournee, keerde hij definitief terug in Buenos Aires. Hij werkte ook in films en met het trio.

In 1938 bracht hij zijn eigen groep bijeen, tijdelijk samengevoegd met violist Elvino Vardaro voor Radio Belgrano. Hij ging succesvol verder als orkestleider. Bekende zangers bij het orkest waren Miranda, Raúl Berón en Horacio Quintana.

Lucio was ook een authentiek vertolker op piano, met een onmiskenbaar geluid en frasering.

In zijn latere jaren werkte hij als solist in de nachtclubs van Buenos Aires en in zijn eigen plek La Tanguería de Lucio.



 

Miguel Caló

bandoneonist, orkestleider, componist (1907-1972)

 
Miguel ontving een formele opleiding als violist en bandoneonist. Het werk van Caló begon in de jaren twintig, kreeg vaste voet in de jaren dertig en had onovertroffen succes in de jaren veertig.

Met het orkest van 1934 hoorde je een stijl als Fresedo, en een klank als De Sarli. Met Miguel Nijensohn op piano liet het orkest een onuitwisbare indruk op de stijl achter. Hij was verantwoordelijk voor het verbinden van de fraseringen, met een timing en een ideale maat voor dansers.

De jaren veertig liet de rijpheid zien van Caló, die een groep jonge musici bij elkaar bracht van buitengewone capaciteit. Allemaal vormden zij later hun eigen groep.

In deze fase van zijn ontwikkeling ontwikkelde hij

een stijl die traditionele tango verbond met vernieuwing, met een opgeluisterde aanwezigheid van de violen, een ritmische bandoneón sectie en een spectaculaire piano.

Grote zangers als Berón, Podestá en Iriarte maakten deel uit van deze groep.

Caló heeft enkele succesvolle werken achtergelaten (samen met Osmar Maderna), zoals: Jamás retornarás and Qué te importa que te llore.

In 1961 bracht hij deel van het orkest weer samen en maakte, na een groot succes op radio El Mundo, in 1963 nog een 12-tal nieuwe nummers uit.

Het orkest van Miguel Caló zal herinnerd worden als een orkest met een grootse tango uitvoering, een die de tijd overleeft, en kenbaar is door zijn grote artistieke kwaliteiten, en door het altijd oproepen tot dans met de noten van Sans Souci.



 

Carlos Di Sarli

pianist, orkestleider, componist (1903-1960)

 
Als geen ander wist Carlos Di Sarli de ritmische cadans van de tango te combineren met de harmonische structuur, ogenschijnlijk eenvoudig, maar rijk aan nuances en subtiliteiten. Hij liet zich leiden door de romantische melodiek van Fresedo.

Rijkdom aan harmonie interesseerde hem nauwelijks; zijn kracht lag in de contrasten tussen zachte gebonden en gepunteerde noten, tussen harde en zachte passages. Hij bleef weg van de valse tegenstellingen die bestonden tussen de herinneringen aan de traditionele tango en de avant-garde stroming.

Hij was beroemd voor zijn ‘magische linker’ waarmee hij ‘zingt’, terwijl hij met zijn rechterhand begeleid. Hij gaf leiding vanaf zijn instrument.

In zijn muziek komen weinig instrumentale solo’s voor, soms de bandoneón, maar deze benadrukte meestal het ritmische en het dansbare deel van de muziek. De violen zongen  delicaat, in een korte solo of in een tegenmelodie.

Enige jaren ging hij weg, maar in 1938 keerde hij op verzoek terug met een hernieuwd debuut in 1939 voor Radio El Mundo. De muziek was pittig, zoals de meeste tango in de eindjaren dertig.

Het orkest van Di Sarli beleefde een glorieuze periode, en genereerde een populariteit die tot zijn dood (en voorbij) zou duren. Ook de combinatie met zanger Rufino was een gouden tandem.

Carlos Di Sarli was de laatste stuk van de puzzel van de tango van de jaren veertig die geen concessies deed aan schrille modes, noch aan ritmische uitspattingen, en die, hoe delicaat dan ook, het vertolkend voorbeeld van dansbare tango’s vertegenwoordigde.



 

Osvaldo Pugliese

pianist, orkestleider, componist (1905-1995)

 
Osvaldo Pugliese geldt als een van de wegbereiders voor de moderne tango; zijn composities zijn bepalend voor meerdere etappes van de tangomuziek. Hij kwam uit een muzikale familie. Zijn vader werkte in de schoenfabriek, en speelde fluit.

Osvaldo speelde vanaf zijn vijftiende in verschillende groepen (Firpo, Maffia, Laurenz, Caló). In 1939 lukte het hem een groep te vormen met een coöperatieve samenwerking. Deze groep bleef tot aan zijn dood in 1995. Bassist Rossi met zijn ritmische drive, bandoneonist Ruggiero en violist Camerano waren belangrijke orkestleden die mede vorm gaven.

Pugliese werd de belangrijkste voortzetting van de stijl De Caro, maar met een sterk ritmisch maat, zeer uitnodigend voor de dansers, maar zonder kwaliteit op te offeren. De belangrijkste zangers bij de eerste opnames waren Roberto Chanel met

zijn nasaal geluid en compadrito stijl, en als contrast Alberto Morán met zijn drama, sensualiteit, de ingehouden toonvorming (en ongeëvenaarde aantrekkingskracht op vrouwen).

Met composities van Pugliese als La Yumba (bij de première kwam het tot ongeregeldheden wegens de grote toeloop), Negracha en Malandraca werd hij gezien als een pionier in het gebruik van syncopen (verplaatsing van het accent) en contrapunt, vóór Salgán en Piazzolla.

Ook zijn schepping op 19-jarige leeftijd Recuerdo mag niet onvermeld blijven.

Pugliese zat regelmatig vast in de gevangenis als vakbondsleider voor de musici, er werd dan gespeeld met een rode anjer op de piano. Het deerde zijn populariteit niet.

Pugliese trad regelmatig op in het buitenland, in Nederland een aantal keren waarbij het optreden in Carré in 1989 met Piazzolla.



 

Astor Piazzolla

bandoneonist, orkestleider, componist (1921–1992)

 
Europa maakte vooral via Piazzolla opnieuw kennis met de tango in de jaren zeventig.

Astor woonde in zijn jeugd in New York. Op zijn achtste jaar kreeg hij een bandoneon, hoewel hij liever rolschaatsen had gekregen. Astor werd gegrepen door Bach, die hij probeerde te spelen.

Terug in Buenos Aires werd hij in 1938 professioneel. Astor werkte in de cabarets. Iedere nacht zat hij te luisteren naar Aníbal Troilo en zijn orkest; hij trad toe tot het orkest.

Piazzolla leerde door klassieke componisten zoals Bartók en Stravinsky, nieuwe klanken en harmonieën kennen. In 1944 verliet Astor het orkest. Piazzolla was ambitieus en ontwikkelde een eigen stijl met nieuwe harmonische vormen.

Hij won een beurs voor Parijs, en ging in de leer bij Nadia Boulanger. Zij adviseerde hem om uit de tango iets nieuws te maken.

Astor voegde een drumstel en elektrische gitaar toe, de tango nuevo was geboren. Het tangopubliek keurde ook dit af, en hij verliet zijn vaderland. Het publiek wilde dansbare tango’s.

In 1958 richtte hij een kwintet op onder de naam Jazz Tango, waarin hij tangoklassiekers combineerde met jazzmuziek. Piazzolla heeft deze periode om artistieke redenen betreurd.

Hij trad op in Puerto Rico toen zijn vader, hij noemde hem altijd Nonino, overleed. Terug in New York ‘zag hij overal zijn vader lopen’. Zijn familie trok zich terug in de keuken. Eerst was het stil, toen hoorden zij hem piano spelen, de melodie was zeer treurig.

Hij componeerde Adiós Nonino.



 

Carel Kraayenhof

bandoneonist, orkestleider, componist (1958)

 
Acht jaar was Carel toen hij voor het eerst achter de piano zat. Enige jaren later ging hij op les. Zelf zegt hij dat hij zeker geen natuurtalent was, maar wel gedreven.

Midden jaren zeventig raakte hij in de ban van Ierse, Schotse en Engelse folkmuziek en leerde trekharmonica en concertina spelen; in die periode begon hij met zijn broer op te treden.

Begin jaren tachtig kwam Carel, via een LP, in aanraking met de bandoneón, en werd erdoor geraakt als een bliksemschicht.

Duizenden uren luisteren naar Argentijnse tango volgde en duizenden uren oefenen om zijn geliefde instrument te doorgronden.

In 1987 kwam telefoon van Astor Piazzolla: of Carel drie maanden wilde spelen op Broadway in Tango Apasionado (1987).

In 1988 richtte hij het Sexteto Canyengue op. Zijn idool Osvaldo Pugliese nodigde hem uit om met het sextet op te treden in Buenos Aires. Het sextet speelde in landen over de hele wereld.

Internationaal reeds bekend, brak Carel door bij het grote publiek in Nederland in 2002 bij het spelen van Adiós Nonino op het huwelijk van Willem Alexander en Máxima in aanwezigheid van o.a. Nelson Mandela, bekeken door 55 miljoen mensen wereldwijd.

Naast het werk met zijn Ensemble (diverse shows), het Sexteto en het duo (met Juan Pablo Dobal) wordt hij veel gevraagd als bandoneonist over de hele wereld bij grote orkesten.

In 2005 ontving Kraayenhof de hoge culturele onderscheiding van de Argentijnse regering voor zijn werk in de afgelopen 20 jaar als ambassadeur van de Argentijnse tango wereldwijd.

Als kind had Carel in muziek zijn grote passie gevonden, veertig jaar later is dit uitgegroeid tot een zinderend, onblusbaar vuur.